dinsdag 23 juli 2019

3: Gedichten van Brecht.



Zeven dagen lang schrijf ik elke dag een verhaaltje over een boek dat op een bepaald moment in mijn leven belangrijk is geweest. Vandaag dag 3: Bertolt Brecht: Gedichte.

24 jaar was de Duitse schrijver Brecht toen hij de eerste strofe van het gedicht “Vom armen B.B.” (over de arme B.B.) schreef:

Ich, Bertolt Brecht bin aus den schwarzen Wäldern
Meine Mutter trug mich in die Städte hinein
als ich in ihrem Leibe lag. Und die Kälte der Wälder
wird in mir bis zum meinem Absterben sein.

Ik was ook 24 toen ik in Utrecht dramaturgie ging studeren. Het was 1970 en als vanzelfsprekend kwam ik in het Instituut op de Drift te staan voor de boekenkast met werk van de schrijver Bertolt Brecht. Die had in de eerste helft van de vorige eeuw geëngageerd `ingrijpend theater` geschreven en geregisseerd. Daarvan getuigden toneelstukken, toneeltheorieën en de meer persoonlijke gedichten.
Ik verdronk me in zijn boeken. Ik laafde me aan zijn taalbehandeling, aan zijn Bijbelkennis en hoe hij die tegendraads gebruikte. Ik herkende de authentieke taalkracht en probeerde in de chaos van zijn dramaturgische ideeën een lijn te ontdekken, waar ik iets mee kon.

Later kwam er naast al die bewondering ook verbazing. Over die merkwaardige Brecht, die in zijn theater probeerde het publiek te betrekken bij de werkelijkheid op een manier, die het publiek zou aanzetten tot verandering. Hij wilde de mensen in de zaal vooral laten nadenken. Hij hield niet van toneel, dat mensen emotioneel zou meeslepen. Dat zou hun nadenken alleen maar in de weg zitten. Afstand houden dus, niet teveel emoties alsjeblieft!
Vanwaar toch dat koele afstandsgebod? Was het een goeddoordachte kunstopvatting? Of had het wellicht te maken met iets veel persoonlijkers? Met het gevoel dat hij als als 24-jarige beschreef in het gedicht “Vom armen B.B.”?

Ik Bertolt Brecht ben uit de zwarte wouden
Mijn moeder droeg me binnen in de steden
toen ik in haar lichaam lag. En de kilte van de wouden
zal in me zijn tot mijn dood.

Die regels klinken als een wanhopige poging om (in Bijbelse taal) afstand te scheppen ten opzichte van de ijskoude betekenis van de laatste anderhalve regel van het gedicht.
Daar staat, dat hij zijn leven voelde als een verschrikkelijke verbinding tussen geboorte en dood. Het vonnis is al uitgesproken vóór de geboorte. En het slachtoffer noteert die schuldeloze veroordeling (schijnbaar) koel en onaangedaan, in een poging zijn ontredderd gevoel in een briljante vorm te vangen.

Stond het bij de geboorte van de kleine Berthold –later veranderde hij zijn naam in het vlottere Bertolt, maar wat veranderde dat?- vast dat hij later zou pleiten voor koele, afstandelijke theaterverhoudingen tussen spelers en publiek?

Heel veel later las ik de biografie van John Fuegi: “Brecht & Co”. Tjonge, wat die biograaf allemaal naar boven haalde! Neem nou Brechts houding ten opzichte van de vrouwen met wie hij samenwerkte. Sterke vrouwen als Ruth Berlau en Elizabeth Hauptmann die veel voor hem schreven, (Hauptmann zelfs de helft van ‘zijn’ Dreigroschenoper). maar slechts in kleine lettertjes werden vermeld als “Mitarbeiterin”.
Medewerkster.
En ze kregen er geen cent voor.
En ze pikten het van hem, die sterke vrouwen...


Wat een koele, berekenende egoïst, die Brecht! Maar wat een tragiek, dat je jezelf al zo genadeloos fileert in een jeugdgedicht en er niet in slaagt de rest van je leven die kilte uit je te verdrijven.

En toch... van zijn gedichten houd ik, vooral van die vroege; ze zijn eerlijk en onthutsend kwetsbaar. En mooi.

maandag 22 juli 2019

2. Mijn kleine oorlog.




Zeven dagen lang schrijf ik elke dag een verhaaltje over een boek dat op een bepaald moment in mijn leven belangrijk is geweest. Vandaag: Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon.

Er zat een gat van een paar jaar tussen alle boeken over ‘Arendsoog en Witte Veder’, die ik leende in de bibliotheek van Hoensbroek, - o, hoeveel malen heb ik ze gelezen en herlezen- en de boeken die een jongen van 16 interesseren. Het kind werd immers puber.

Ja, ik had moeite om afscheid te nemen van mijn magische kindertijd. Maar die magie verdween toch snel, met een school en een thuis waar leerprestaties werden verlangd. Ik kreeg immers de kansen die mijn ouders vroeger nooit hadden gehad. En die lagen er krom voor: ik wist dat mijn vader elke vierde week van de maand geld moest lenen van een welvarender collega om rond te komen, dus aan druk en schuldgevoel geen gebrek.

Maar een puber interesseren heel andere dingen dan eindeloze vertaalsessies op een Sittards gymnasium en de onbegrijpelijke lessen van een tirannieke wiskundeleraar.
Dus ik kroop voor jaren in een walnoot, waarvan de schil slechts met enig geweld was open te breken.
Dat lukte mijn ouders niet. En mijn leraren al helemaal niet.
Maar een Vlaamse schrijver wél.

Ik weet bij God niet meer hoe ik ertoe gekomen ben ‘Mijn kleine Oorlog’ van Louis Paul Boon aan te schaffen. Wat ik wél weet is, dat ik het boekje ademloos heb gelezen.
Het gaat over het gedrag de gewone man in de Tweede Wereldoorlog. Dat liegt er niet om. De mensen proberen onophoudelijk elkaar op te lichten en af te troeven. Ze zijn meer elkaars vijand dan die van de Duitsers. Van samenhorigheid is geen sprake. Patriotten of landverraders, het maakt allemaal niet uit.

Achteraf vind ik het merkwaardig waarom al die korte scènes in het boek zo rijmden met mijn gevoelens op dat moment. Ik denk dat ik alle onderdrukte verlangens, alle leerdressuur, alle drang en dwang, mijn eigen kleine oorlog, in Boons verhaal projecteerde: “Precies ja, zo is het! Dit is dus het wezen van de wereld, zo zijn de mensen”.

Maar er was nóg iets. De taal- jongens, wat een taal! Een volks vertelperspectief met een overrompelende directheid, authenticiteit en originaliteit, overvloedig, barok en ontregelend. In een Vlaams dat in zijn levendigheid en beelden zo verwant is aan het Limburgs.

O ja. En dan die laatste zin: “Schop de mensen tot ze een geweten krijgen!”
Juist! Precies! Dat vind ik ook! 
Dacht ik toen.
Maar soms zou ik ook vandaag die zin soms van de daken willen schrééuwen.

Dank je, Boontje, gij walnotenkraker, voor dat mooie boekje en de vele andere van uw hand, zoals de onvergetelijke “Kapellekesbaan” en “Zomer te Ter-Muren”- en allez, doe dan daarboven ook maar de groeten aan ons Ondineke, ge weet wel, die in de herberg haar naakte lijf met blink liet insmeren door meneer Ludovic.

zondag 21 juli 2019

Ik postte de reeks al eerder op facebook, maar nu kun je het ook hier lezen. Zeven keer een kort verhaaltje over een boek, dat op de een of andere manier belangrijk voor mij is (geweest). 

1: de Bijbel.




Stukgelezen heb ik dat boek vol schitterende verhalen. Als kind was ik er verzot op en ja hoor, ik geloofde het allemaal zonder voorbehoud: de engelen, aartsengelen, de angeli et archangeli, de heiligen, martelaren, het brandend sprekende braambos, Jezus en andere doden die herrezen, de heilige Geest met zijn zwangermakende lichtstralen, de duivel en zijn slinkse bekoringen; ach, voor een kind in een Zuid Limburgs dorpje had het leven in die dagen een vanzelfsprekende magische glans.
‘s Avonds in bed heb ik me eindeloos in slaap gelezen, mijn ogen bedorven, (volgens mijn vader), maar gelukkig dus niet mijn blanke zieltje.

Wat heb ik meegeleefd met het volk Israels, dat voortdurend maar gramschap opwekte in de ogen van de nogal hoge eisen stellende Heer, met de aanbiddingen van het gouden kalf en Babylonische afgodsbeelden, met mannen die aanlagen bij mannen en andere zoete zonden.
Elke lezing weer hoopte ik dat Jezus zijn pijnlijke lot nog net zou ontlopen, dat de Joden niet Barabas maar Hem zouden vrijlaten, dat God- net als bij Abraham en Isaac- op het laatste moment zou ingrijpen in weer zo’n merkwaardig zoon-offer of dat de Romeinse heidenen plotseling zouden inzien wat voor historische vergissing ze begingen met Zijn kruisdood. Die ons witwaste van de erfzonde, dat dan weer wél.

Het was niet dit hier afgebeelde zware boek met de originele tale Kanaäns, dat ik las. Nee, het was een uitgave met een geactualiseerd taalgebruik, met (of moet ik zeggen zonder) hele passages die waren weggelaten. Of voorzien van katholiek commentaar. Want vergeet niet: wij katholieken deden niet aan Bijbellezing. Dat deed de Kerk voor ons. Zodat wij goed wisten hoe we de dingen moesten zien.
Dus niet zoals die ketterse protestanten (tien huizen verderop bij ons in de straat woonde ‘zo’n gezin’). Die hadden hun eigen contact met God: via de Bijbel. En die ergerden zich op hun beurt weer aan onze paapse kermisketterijen, die de Heere een gruwel waren.

Dag mooie oude Bijbel. Intussen weet ik hoe jouw verhalen zijn ontstaan, veranderd, bijgeschaafd en gemanipuleerd. Ja, dat hele beeld van Gods Woord ligt hier nu stuk en kapot voor me.
Maar toch… dank je wel voor al die geschiedenissen uit een onbekende wereld, voor je taal en je moraal, voor eindeloze uren magisch leesgenot. Jij schonk me een wijsheid, die ik ook elk kind van nú toewens.