dinsdag 31 januari 2023

‘IK WIL GEHOORZAAM ZIJN ZONDER TEGEN TE SPREKEN.’

 De mooiste tijd van mijn leven.

De zeven kilometer op de fiets tussen Sittard en Oirsbeek konden me die julidag niet lang genoeg duren. Want... hoe in godsnaam moest ik de ongewenste boodschap aan mijn vader overbrengen? Ik was blijven zitten! Ik ging niet over naar de vierde klas van het gymnasium. Ik weigerde de kansen te grijpen, die hij in zijn jeugd nooit gekregen had. Ik deed hem de dood aan met mijn lamlendig leergedrag. 

De hele zomervakantie van 1961 was, wat je noemt, versaud. Pappa wreef het me diverse keren in: als het zo verder zou gaan, dreigde degradatie. Dan moest ik 'mit t teutje nao de koel' (met het drinkblik naar de mijn, naar de de Ondergrondse Vakschool (OVS). Een onaantrekkelijk vooruitzicht voor een jongen met meer hersens dan spieren.

In het bedrijfsblad Steenkool werden jonge OVS-ers vrolijk saluerend als jonge soldaten voor het kolenfront afgebeeld: die wilden - zo te zien - niks liever dan zo snel mogelijk de mijn ingaan. En daar werken was blijkbaar terechtkomen in een soort oorlog.

Nee, niks voor mij.

 ‘Wie geen vreemdeling is in de mijnstreek, kent de jongens in hun blauwe overall met de mijnpet op het hoofd. Daar marcheren ze, de mijnwerkers van de toekomst: karaktervol, arbeidzaam, zelfbewust’.

Met dit soort stoere mannentaal werven de mijndirecties direct na de bevrijding van Zuid Limburg (september 1944) jongens voor een toekomst als mijnwerker. Immers het land heeft kolen nodig! De productie moet omhoog! En daarvoor is een gedisciplineerd mijnwerkerslegioen vereist. De heren willen af van de sociale onrust, die regelmatig de kop opsteekt. Want de voorheen zo gedweeë mijnwerkers proberen zich in die Bevrijdingsdagen ook te bevrijden van hun knellende arbeidsomstandigheden. Ze willen het jaagsysteem van vóór – en in de oorlog niet meer. Weg met de eenmansakkoorden! Weg met de jaagopzichters! 

Er gebeuren die dagen ongehoorde dingen in de Mijnstreek. Op initiatief van nota bene een communist wordt in september 1944 de A.B.W.M., de Algemene Bond voor Werkers in het Mijnbedrijf opgericht. En deze ‘eenheidsbond’ heeft meteen succes: in no time stromen 8.000 leden toe. Maar dat is niet naar de zin van degenen, die het daar voor het zeggen hebben: de katholieke Kerk en de katholieke Mijnwerkersbond. Met man en macht wordt geprobeerd de 'eenheidsbond' kapot te maken.

Ook de Mijndirecties zijn niet enthousiast over de ABWM. Die willen een constante, hoge productiviteit en daarvoor is een gedisciplineerd mijnwerkersleger nodig. En geen ongeregeld stuifzand dat om de haverklap in staking gaat. Een goede, gedegen disciplinerende opleiding, die moet het tij keren!

 De hoofddirecteur van de Staatsmijnen Groothoff heeft al in de oorlog de Nijmeegse hoogleraar Rutten gevraagd om een Plan voor een vakschool voor ondergrondse mijnwerkers te schrijven. De professor ontwerpt de OVS, een driejarige opleiding, die ervoor moet zorgen dat jongens zin krijgen in werken en zelfdiscipline ontwikkelen. Mijnwerker word je niet zomaar! Daarvoor is een vakopleiding nodig. Bijkomend voordeel is dat je zo ‘de juiste mentaliteit’ bij de toekomstige mijnwerkers kunt aankweken. 

 ‘Ik wil flink de handen uit de mouwen steken’.

‘Wat ik doe, doe ik goed.’

‘Ik wil een goed vakman worden.’

‘Ik blijf opgewekt onder alle moeilijkheden.’

Dát is de mentaliteit die de toekomstige kompels onder hun huid moeten krijgen. Ook de overheid ziet onmiddellijk het belang. Minister van Sociale Zaken Wijffels stelt een bedrag van twee miljoen gulden ter beschikking om supermoderne schoolgebouwen neer te zetten.

Er wordt meteen met de werving begonnen. Vertegenwoordigers van de mijnbedrijven bezoeken lagere scholen in de mijnstreek, maar ook daarbuiten. Ze komen ook bij pap en mam thuis en houden gloedvolle verhalen over de ‘delvers van het zwarte goud’, het mijnwerkerslegioen… "waar ook jij, Jeu, toe kunt gaan behoren als je veertien jaar bent geworden.”  


Ze leggen de brochure ‘Jongens in ’t blauw’ op tafel, met aantrekkelijke foto’s van scoutingactiviteiten, sporten, zwemmen en praktijklessen.

“Enne… Jeu gaat vanaf de eerste dag op de OVS verdienen. Nou, welke andere vakopleiding doet zoiets?” 

Niet dat alle ouders staan te springen om hun zoon naar de mijn te sturen. Schoolkameraad Paul heeft van zijn vader –goedbedoeld- te horen gekregen dat hij hem kapot zou slaan als hij naar die OVS zou gaan. En de moeder van Chris wil hem ook niet daar hebben. Die heeft teveel ellende gezien bij haar eigen vader.

Maar ja, als er thuis geen centen zijn… en er is verder geen ander werk, behalve in de bouw… En de propaganda is handig, gelikt en overtuigend. Vast werk, hoog loon! Pap en mam hebben weinig keus. En Jeu ziet zich al als stoere soldaat aan het kolenfront. Dan kan hij eindelijk die Kreidler-brommer kopen waar hij al maanden van droomt. Het enige wat hij nu nog moet doen, is een briefje bij de pastoor halen, dat hij uit een goed katholiek gezin komt. 

Alle twaalf mijnen krijgen een eigen OVS. In januari 1945 start Staatsmijn Hendrik in Brunssum als eerste. Een hopman van de verkennerij haalt een paar houwers weg van het kolenfront, geeft hun een korte cursus verkennerij en maakt van hen de eerste OVS- jeugdleiders.


De padvinderachtige, haast paramilitaire opzet, is onmiskenbaar. Er is geen klas, maar een ‘OVS-troep’. Elke troep heeft een home of honk. Ze bestaat uit 24 man die in vier groepen van zes zijn verdeeld. De troepen hebben een ploegleider (PL) en een assistent-leider (APL). Die functies rouleren om de drie maanden. Een verlegen jongen moet leidinggevende capaciteiten ontwikkelen. En de jongens met een grote moel leren zich in een ondergeschikte positie te schikken.

Jeu draagt net als de andere jongens een uniform blauwe overall met het OVS-embleem. De lesdag begint met een appèl, het hijsen van de Nederlandse vlag en het voorlezen van de OVS-wet, tien regels vol eer, trouw en ridderlijkheid. Op mijn eer kan men vertrouwen.' ‘Ik wil trouw zijn aan God, ouders, leiders en land.’ Met als bizarre laatste regel:  

‘Ik wil gehoorzaam zijn zonder tegen te spreken.’

Dan volgt een ‘troep-saluut’, er wordt stram gestaan en de PL controleert of de overall wel goed is dichtgeknoopt en de pet op de kop staat. En dan wordt er twee aan twee gemarcheerd en gezongen dat het een lieve lust is. 

‘Wij zijn de bevoorrechte nijvere jeugd

             Gezond en geneigd tot het werk

             De werklust en d’ arbeid zij zijn onze vreugd

 En maken ons rustig en sterk

 Er wordt in onze rijen geen lafaard geduld

 Ons bloed is van moed en van ijzer vervuld

 Wij zijn voor elkaar steeds paraat. (2x)’

De taal in de OVS-wet en dit soort liedjes doet denken aan wat nog maar een paar maanden geleden aan de andere kant van de grens door de Hitlerjugend werd gezongen. En was het niet Adolf Hitler die zei: ‘Men moet jongens leren onrecht te ondergaan zonder in opstand te komen?’ Maar niemand die daar een punt van maakt. 

De vakopleiding wordt een succes. Begin 1952 zijn er 3200 jongens op de OVS. In de Oostelijke Mijnstreek komen ze meestal uit mijnwerkersgezinnen. Maar een flink deel van het personeel van de Maurits en de Emma woont in de boerendorpen van Midden-Limburg. Die zitten dagelijks een paar uur in de mijnwerkersbussen van Roetje Ghielen uit Beringe en Kupers uit Weert.

Mijnwerkersbussen voor de Emma

Later zal Jeu zeggen dat de OVS de mooiste tijd van zijn leven was. Vooral het eerste jaar. Hij leert knopen leggen, bruggen bouwen, met het kompas werken en hoogten, breedten en diepten inschatten. Daarnaast machinekennis, mijnbouwkunde, mijnhout bewerken, mijngas controleren en gereedschap slijpen. Er zijn ook algemeen vormende vakken: Nederlands, rekenen, godsdienst, biologie. En geschiedenis. Michiel de Ruijter, vliegenier Charles Lindbergh en mijn-pioniers als Sarolea en Honigmann zijn voorbeelden waaraan een 15-jarige zich moet spiegelen. En natuurlijk sport. Heel veel sport.

Individualiteit telt niet. Alles gebeurt in groepsverband: ordelijk samenwerken, je correct gedragen, gezag aanvaarden en zelfstandig moeilijkheden oplossen. Maar hoe gek het ook klinkt: dat vindt Jeu juist heerlijk. Je onderdeel voelen van een geheel. Weten wat ze van je willen. Niet degenen die het beste presteren krijgen de hoogste punten, maar de jongens die sámen het beste presteren. Die kameraadschap! Dat blind op elkaar kunnen vertrouwen, dat vergeet je nooit meer. Daar zou de jeugd van nu nog veel van kunnen leren. Vindt Jeu. En dan het kamp aan het einde van het jaar! Een week lang op kamp in Vaalsbroek. Alle vaardigheden kunnen ze nu in praktijk brengen. En pap en mam komen hem daar met andere ouders bezoeken. Dan kan hij trots laten zien wat hij dat jaar allemaal heeft geleerd. En wat te denken van de 28 gulden die hij elke maand inbrengt! 

OVS-ers op kamp bij Vaalsbroek 


De meeste jongens vinden het eerste leerjaar het leukste. Maar dat wil in het tweede jaar nogal eens veranderen. Dan moeten ze in weer en wind wagons laden met hout voor ondergronds. Of urenlang aan de leesband ongerechtigheden als stenen en hout tussen de kolenbonken uithalen. ‘Kennismaken met het bedrijf en arbeidsritme opdoen’, heet dat. Maar wat heeft maandenlang aan de leesband staan met een vakopleiding te maken? En die leesband staat nooit stil. In het begin raapt Jeu nog als een bezetene. Maar na een half uur wordt het hem zwart voor de ogen. Hij ziet die band wel vier keer. Als hij aan het einde van de sjiech in de bus stapt, plagen de kompels hem: ‘En jungske, heb je goed geraapt? Nog maar 40 jaar, dan ga je al met pensioen.’

De mijndirecties hebben geen enkel probleem met die goedkope, ongeschoolde jeugdige arbeidskrachten van de OVS.

Oefenen in de leermijn, dat vindt Jeu wél leuk. In een pijler die is aangelegd in de steenberg wordt het ondergrondse werk nagebootst. Onder leiding van ervaren instructeurs. Er zijn pijlers, transportbanden, gangen met sporen voor de mijnwagens, laadpunten en persluchtleidingen. Ook alle veiligheidsvoorschriften en veiligheidsvoorzieningen zijn net echt. Zo leer je nog eens wat!

OVS leermijn Wilhelmina

Pas in het derde OVS-jaar gaat hij voor het eerst ‘echt’ ondergronds. Een ervaren meesterhouwer leert hem dan overeind te blijven in die harde praktijk. Op zijn 18e wordt hij definitief ondergronds geplaatst. En als hij 22 is, kan hij het houwersexamen doen. 

Gaandeweg de vijftiger jaren loopt het aantal aanmeldingen terug. Vooral het tweede jaar met dat ongeschoolde werk houden veel jongens het voor gezien. In 1960 wordt de opleiding nog gereorganiseerd en gemoderniseerd, maar het kan de achteruitgang van de OVS als technische opleiding niet meer stuiten. 

Opvallend is de uiteindelijke conclusie van Delftse mijningenieurs: het rendement van ex-OVS-ers is nauwelijks hoger gebleken dan dat van mannen die ongeschoold bij de mijn arriveren en dan meteen de houwersopleiding volgen. Je kunt je afvragen: wat is dan het nut van die OVS geweest? Heeft die vooral een disciplinerende functie gehad?

Ja en nee. De Limburgse mijnwerkers waren inderdaad niet de strijdbaarste arbeiders: ze maakten vooral een vuist in hun broekzak. Maar helemaal gelukt is het beschavingsoffensief ook niet. Hoogleraar Rutten schrijft in 1956 teleurgesteld dat OVS-jongens zich uiteindelijk blijven gedragen als massajeugd. Met een grote zucht naar vertier en vermaak, die ze kunnen bevredigen, omdat ze veel geld hebben. Geld, dat ze niet gebruiken om te sparen voor later. In plaats daarvan kopen ze bijvoorbeeld een Kreidler.

In 1961 is de OVS dus al over zijn hoogtepunt heen. Maar gelukkig heb ik daar niets van gemerkt. Ik leefde in een andere wereld: die van beambtes en onderscheidingsdrang. Met mij kwam het op het nippertje goed op het gymnasium en zo kon ik de kansen grijpen die mijn vader nooit gekregen had. Geluk gehad dus. Hoeveel geluk, dat besef je als je in Landgraaf de Gedachteniskapel binnengaat, opgericht ter nagedachtenis van de mijnwerkers die zijn omgekomen: 286 bovengronds, 1169 ondergronds. Zij hebben geen geluk gehad.  


Maar zelf zien ex-mijnwerkers dat niet zo eenduidig als ik. Mannen als Jeu kijken vaak op een paradoxalere manier terug op hun werkende leven:

“Mijnwerker zijn, dat was een hard vak. Ik ben trots dat ik mijnwerker was, terwijl in mijn familie vijf personen dodelijk zijn verongelukt in de mijn. Maar één ding weet ik zeker: had ik een zoon gehad - die had ik nooit naar de mijn laten gaan! Nooit, nooit!”

 

Bronnen:

De Mijnen.nl

Jongens in ’t blauw, brochure Ondergrondse Vakschool, Staatsmijnen in Limburg (1957)

Wim Nijsten, Ik zwarte blanke slaaf. Corrie Zelen, Maasbracht. (1977)

Rob Wolf, De vakopleiding’ In: Weet je nog koempel? De mijnen in Limburg 6

Serge Langeweg, ‘De bedrijfshiërarchie en de vakopleidingen’. In: Ad Knotter (red), Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis (Nijmegen 2012

Wim Nijsten, Jos Bours, Marlies Hautvast, Mijnwerkers, verhalen om te onthouden. LINK Nijmegen (1978)

Facebooksites van Frans Taalman https://www.facebook.com/frans.taalman.1 en Hans Hulsteyn, https://www.facebook.com/profile.php?id=100014577368799

 

 

 

 

 

 


                                                                  BOEM!!!

 

Paul van Ostaijen?

O ja, Paul van Ostaijen!

We horen de laatste tijd niet zoveel meer over de Vlaamse dichter, maar in Berlijn was er een prachttentoonstelling aan hem gewijd. En niet zomaar ergens, maar in een rococopaleisje, het Efraimpalais. 'Boem' staat er buiten op de voorgevel. 


Maar… wie in Berlijn kent Paul van Ostaijen? En toch was hij hier: van 1918 tot 1921 met zijn liefie Emma Clement, allebei op de vlucht vanuit Antwerpen. ‘Pol’ had met andere Vlaamse activisten de oorlog aangegrepen om, met steun van de Duitse bezetters, de onderdrukking van de Vlaamse taal en de Franstalige dominantie te bestrijden. Dat deed hij in tal van activistische tijdschriften. In 1918 wordt hij gezocht als collaborateur. En Emmeke? Die had zich tijdens de oorlog iets teveel in het gezelschap van Duitse officieren laten zien. 

Berlijn is voor hen dus een veilig toevluchtsoord. En voor een kunstenaar the place to be. Maar van artistieke glamour is geen sprake. Berlijn 1918, dat zijn vooral oerdegelijke, zware, door bruinkooldampen bruinzwart aangeslagen gebouwen. ‘Het is hier alles zo monotoon triestig. Een pisseblom kan hier zelfs niet groeien’.

Ze betrekken in de Wilhelmstrasse een armtierig kamertje. Er is continu geldgebrek, reizen kan alleen derde klas, er is weinig eten en hoe kom je in godsnaam aan ‘merkandijs’ (cocaïne)? Emma werkt als mannequin en fotomodel, maar ‘haar marken helpen ons niet uit de puree’.

                                                                            Emma Clement

Paul is vaak ziek en heeft heimwee. Maar zijn ‘lief beesteke’ wordt omringd door de nodige aanbidders, die onder de indruk zijn van ‘een vrouw met wie je zonder remmingen kunt seksen’. Van Ostaijen ziet het machteloos aan. Maar eigenlijk zou zo’n vrouwelijk dier getemd moeten worden, vindt hij. ‘Een man die niet de moed heeft met de zweep om te gaan, is een grote nul’. Heeft hij het over zichzelf? 

      Emma Clement als mannequin ‘in de modeweek van 1921 ‘om 1 uur ’s middags’. 
                                                        Bubikop en sigaret met verspreid kledingstukken en schoenen.

 In 1918 breekt de grote arbeidersopstand uit, die zich praktisch onder hun raam afspeelt. Paul is op de hand van de radicale socialist Liebknecht, immers kunst moet dienen als motor van de revolutie. 


Maar deze - opmerkelijk geweldloze- revolutie wordt bruut door de sociaaldemocratische regeringneergeslagen. Met behulp van bijzonder gewelddadige extreemrechtse vrijkorpssoldaten. Die makeneeneinde aan wat zij de ‘Entmannungsrevolte’ noemen. Want ook veel vrouwen nemen deel aan de revolutie. En bedreigen met hun vrijmoedigheid de mannelijkheid van de reactionaire soldaten. In de straten hoort Pol woorden vol vrouwenhaat. Hij leest ze in de kranten. En gebruikt ze in zijn gedichten.

                                                

Neemt hij zo ook wraak op zijn eigen overspelige geliefde? Immers ook linkse kunstenaars fantaseren in die revolutiedagen over geweld tegen vrouwen.



De tentoonstelling ging vooral over van Ostaijens artistieke ontwikkeling. Want daarvoor is Berlijn belangrijk geweest. Hij heeft vooral contacten met kubistische en dadaïstische schilders en kringen rond de expressionistische tijdschriften ‘Die Aktion’ en ‘Der Sturm’.

Na de mislukte revolutie neemt nihilisme de plaats in van de illusie, dat kunst van invloed kan zijn op de maatschappij. Hij schrijft nu ‘zuivere lyriek’ en 'op zichzelf staande kunst' in de dichtbundels Bezette Stad en De Feesten van Angst en PijnDaarin komt alles voorbij: de oorlog, dada, het moderne stadsleven, het geloof, reclameslogans en films. Vormgegeven middels een unieke typografie. Je kon er in de fraaie tentoonstelling talloze handgeschreven voorbeelden van zien.

 


Dit artikel verscheen in het decembernummer van het blad Argus, 2022.

 

vrijdag 24 juni 2022

 

De roman die ik graag had willen schrijven, maar niet kón schrijven.



    "Fabian zat in café Spalteholz (-) en riep de ober.

    Wat kan ik voor u doen? vroeg die.

    Een vraag beantwoorden.

    Zegt u het maar.

    Zal ik gaan of niet?

    Waarheen meneer?

    Ik wil een antwoord, geen vraag. Zal ik gaan of niet?

De ober verplaatste zijn gewicht van de ene platvoet naar de andere.

    Het lijkt me het beste om niet te gaan. Het zekere voor het onzekere te nemen.

Fabian knikte.

    Mooi. Dan ga ik. Mag ik de rekening?

    Maar ik heb het u toch afgeraden.

    Daarom juist. De rekening graag.

    En als ik het aangeraden had, was u dan niet gegaan?

    Dan ook.

    Ik snap het niet, zei de ober. Waarom vraagt u het dan?

    Als ik dat eens wist, zei Fabian."

Een roman die zo opent, heeft mij als lezer meteen bij de lurven. Een absurde dialoog tussen twee mannen - en tegelijkertijd neemt de wanhoop plaats aan deze Berlijnse cafétafel. En die wanhoop blijft met een grijnslach de hoofdpersoon Fabian het hele boek door vergezellen. De lezer loopt met hem mee door het Berlijn van na de Eerste Wereldoorlog. Alsof we in een tekening van George Grosz worden getrokken.  


In diens Querschnitt (doorsnee) uit 1919 ziet de stad eruit alsof zojuist alles door elkaar is geschud. Hij verbeeldt een desintegrerende wereld, een chaotisch geheel van heen-en-weer bewegende, in zichzelf gekeerde  vereenzaamde individuen. Door de straten hinken oorlogsinvaliden, Restjes revolutionaire arbeiders worden door soldaten opgeruimd. En dominant, buitenproportioneel en provocerend getekend- het lijf van een onaantastbaar afgebeelde unfreundliche naakte vrouw. Is het een prostituee? Haar naakte lijf grenst aan het hoofd van een somber ogende, in zichzelf gekeerde man. Is dat soms de kunstenaar zelf? Berlijn als een monsterlijk gekkenhuis, door Grosz gevangen in een adembenemende vorm. 

Kästner is een meester in het beschrijven van de levens op die straten en achter die muren, ramen en deuren. Al die richtingloze levens zonder houvast. Net als het zijne. 

‘Als ik dat eens wist’, zei Fabian.

Ik heb de roman afgelopen week gelezen en het was een feest der herkenning. Alles wat ik tijdens mijn onderzoek voor mijn boek Opeens geen grenzen meer heb ontdekt, staat erin: de grenzeloosheid, het geweld, de gewelddadige fantasieën en omgangsvormen, de haat tegen de oudere generatie die het allemaal veroorzaakt heeft. En natuurlijk de mannelijke onmacht tegenover de nieuwe vrouw die zich in Berlijn doet gelden. 

            

 In de straten maar ook binnenshuis. In de bordelen, miezerige huurkamers en de grote huizen in het dure Grünewald. Zijn beschrijvingen zijn nogal seksueel expliciet en hilarisch. Hij is gefascineerd door die vrouwelijke wezens die hem vreemd blijven met hun raadselachtige gedrag en hun overweldigende erotische uitstraling. De ene keer laat hij zich door hen meenemen, dan weer vlucht hij. Hij wil zich binden, maar kan het niet. Hij is een geschiedenispessimist die elk menselijk handelen als zinloos betitelt.

‘Als ik dat eens wist’, zei Fabian.

Het Berlijnse leven overweldigt hem zo dat hij op het laatst zelfs die stad ontvlucht en teruggaat naar zijn ouderlijk huis. Naar zijn moeder. Niet dat zij hem de innerlijke rust geeft waarnaar hij smacht. Moeder troost door hem te verzorgen, met eten, met het op orde brengen van zijn kleren en die verdomde praktische alledaagse steun. Maar steeds keert hij weer in zijn eenzaamheid terug. 

Het zou een zin uit mijn boek kunnen zijn.


Ja. En waarom vind ik dat nu allemaal zo fascinerend? Toen ik in 2018 aan vrienden en vriendinnen vertelde dat ik van plan was onderzoek te doen naar de binnenwereld van Duitse jonge mannen na de eerste Wereldoorlog en mijn bevindingen in een soort essay op te schrijven, waren de reacties een beetje bezorgd.

‘Waarom kies je voor zo’n soort onderzoek?. Waarom schrijf je geen roman. Dat is toch wat jij goed kan?’ 

Ik wierp tegen dat je er bij zo’n onderwerp niet komt met verbeelding alleen. Dat je de feiten moet opsporen en heel precies beschrijven. Dat je anders niet bij de essentie kan komen. Maar dat je bij dat beschrijven best  gebruik mag maken van je verbeeldingskracht, mits die gestaafd is door feiten. 

'Ik kan  in zo’n boek niet schrijven dat Rijkskanselier Ebert zuchtend in de spiegel kijkt als hij zich in de ochtend van 9 november 1919 staat te scheren. Misschien liet Ebert zich wel scheren door de kapper.'

Ik wilde in dit geval niet een waarschijnlijke waarheid beschrijven, maar de echte waarheid, voor zover die te ont-dekken was. Voor een goede roman over die tijd zou ik eigenlijk zelf op dat moment in die omgeving hebben moeten rondlopen om echt van binnenuit de situatie te kunnen beschrijven, zoals Kästner dat doet. Concreet  zijn en niet algemeen of schematisch. Kastner is nergens algemeen. Ik zou de situaties die hij beschrijft niet hebben kunnen verzinnen. Je voelt de levensechtheid én de absurditeit ervan. En dat in een stijl die precies goed werkt. Een binnenkantbeeld van jewelste dus. 

Zijn roman Naar de haaien is de roman, die ik volgens mijn vrienden en vriendinnen had moeten schrijven. Maar die ik niet kón schrijven.

Als ik een tip mag geven lees eerst Opeens geen grenzen meer voor de complete feitelijke en psychologische omgeving. En geniet dan van die wondermooie roman Naar de haaien. Daarmee zouden wij allebei zijn geëerd. 

(Er is ook een film over gemaakt, Fabian oder der Gang vor die Hunde maar die moet ik nog gaan zien. Hij schijnt goed te zijn, maar ik vermoed zomaar dat het boek beter is. Rijker. Gedetailleerder. Diepgaander. Maar ik kan het helemaal mis hebben...  gelukkig.).

 

Afbeeldingen:

Margaretha Reichardt, ‘im Kaffeehaus’, 1925
George Grosz: Querschnitt 1919
Otto Dix: an die Schönheit 1922
Max Beckmann: Selbstbildnis mit Sektglas 1919