donderdag 26 november 2020

Hoe en waarom schrijf ik eigenlijk?

Hoe en waarom schrijf ik eigenlijk?
Paul Weelen van Uitgeverij TIC vroeg mij om mezelf te interviewen over mijn schrijven.
In je werkzame leven heb je vooral drama geschreven? Heel specifiek drama ja. Ik schreef teksten voor theater, dat we met Utrechtse buurtbewoners maakten over hun dilemma’s en levenservaringen. Ik schreef dat drama op basis van interviews met hen. Die tekst gingen ze daarna zelf spelen onder regie van Marlies, mijn geliefde.

En is zoiets wel artistiek bevredigend?
Het is juist een artistieke uitdaging van jewelste, want een heel apart specialisme. Kijk, je schrijft in dienst van (technisch min of meer beperkte) spelers. Maar die beperking is tevens dé uitdaging. Ik diende dan juist mijn ambachtelijke creativiteit en “goddelijke” inspiratie aan te spreken om hun levensdilemma’s zo te verbeelden, dat de tekst herkenbaar en speelbaar was en tegelijkertijd diepte had. Want leven aan de onderkant van de samenleving is een complexe zaak. En dat doet wat met mensen. Het is een maatschappelijk vooroordeel van jewelste dat ‘het volk’ los stuifzand is, dat niets interessants in zich draagt, dus ook niets tot stand kan brengen, laat staan theater dat de moeite waard is.
Mmm. Is dat niet een wel heel dienstbare opstelling?
Nee. Ik wilde dat elke nieuw te schrijven tekst voor mij ook een artistieke uitdaging was. Ik wilde niet dat de schrijver alleen maar de vertelde ervaringen een beetje leuk op een rijtje zette en klaar. Ik voegde er iets aan toe. Als een regenworm die rauwe grond opat en vruchtbare aarde afscheidde. Ik stelde me ten doel een tekst zo te schrijven dat je het publiek in de wijken niet verliest, maar hen wél prikkelt op een manier die ze niet zomaar kennen. De lat werd door mij behoorlijk hoog gelegd, ik heb mijn spelers nooit onderschat.
Hoe gebruikte je taal in die stukken?
De buurtdrama’s die ik schreef spraken een eigen toneel­taal. De basis was realistisch. Herkenbaar. De eigenheid in taal en houding van de spelers uit de wijk stond voorop, of het nou om autochtone Utregters ging of Marokkaanse of Turkse spelers. Onder hun spel moest altijd een vanzelfsprekende, naturelle basis liggen. Maar dan kon daar opeens een poëtisch fragment opduiken of een lied gezongen worden. Of er liep een absurdistisch personage rond, dat rare vragen stelde en opmerkingen maakte en zo een essentie raakte op een vreemde manier. Misschien was ik dat zelf wel, die zo door mijn eigen stukken dwaalde.
Na je pensionering ging je romans schrijven. Was dat anders?
Ja. Ik schrijf nu zonder deadline! Ik kan het me permitteren soms maar zes regels per dag te schrijven. Vroeger moest er elke drie maanden een toneeltekst liggen. Terugkijkend denk ik wel eens: hoe is het mogelijk dat dat allemaal lukte! Maar om op je vraag terug te komen: ja, dat is anders. Hoewel…
Als ik buurtdrama ging schrijven, had ik mensen van vlees en bloed ter beschikking voordat ik begon te schrijven. Mensen met hun mogelijkheden en onmogelijkheden, met hun eigenheid, individualiteit en karakter. Ik kende ze. Ik was als schrijver aanwezig geweest bij improvisaties of interviews. Ik had ze zien praten, bewegen, ontwijken en reageren. Die eigenheid hoefde ik niet meer te bedenken, die was een gegeven. Als ik ging schrijven, schreef ik de rollen naar hun toe. Het waren mensen zonder toneeltechniek, dus je kon toneeltechniekniet als uitgangspunt van werken nemen. Wél hun eigenheid, dus als schrijver schreef ik die eigenheid in de rol.
Bij romans moet je gaan verzinnen vanuit het niets.
Schijnbaar vanuit het niets. Want ik heb natuurlijk wel een paar belangrijke bronnen: mijn fantasie en mijn levenservaringen. En dat zijn er nogal wat als je al boven de 70 bent! Laat ik een voorbeeld noemen.


Bij de Jongens van het Glaspaleis, mijn eerste roman, ontstond het verhaalidee als gevolg van een soort kruisbestuiving. In Schinnen, het geboortedorp van Marlies en mij, woonden drie mannen van jongs af aan in één huis, het huis waar ze geboren waren. Die mannen hadden merkwaardige namen. Ze heetten Jote, Nate en Miele. Toen ik die namen voor het eerst hoorde, wist ik: ik ga ooit een verhaal schrijven over mannen met deze namen.
Dat idee werd concreet toen ik van een vriendin hoorde hoe haar moeder als kind het volgende had meegemaakt: de situatie was thuis zo onhoudbaar, dat de familie –grootouders, ooms en tantes- bij elkaar was gekomen en had besloten dat de kinderen uit huis moesten worden geplaatst, dat wil zeggen tussen de familieleden verdeeld. Dat gebeurde ter plekke, de kinderen werden van hun bed gelicht en meegenomen.
Toen wist ik waar het verhaal over zou gaan: dit zou Jote, Miele en Nate in hun vroegste jeugd ook gaan overkomen. En zij zouden bij totaal verschillende familieleden worden ondergebracht, in heel verschillende milieus hun jeugd doorbrengen en later op de een of andere manier, weer samen het ouderlijk huis gaan bewonen. En dan zouden de problemen pas écht beginnen.
Dat was alles. Verder was er geen plan. Er was alléén de tweede dode vrouwtjsmerel binnen een week, die op de grond lag in ons tuintje. Ik pakte blik en veger, maakte een gat in de grond en begroef het lijkje onder de hortensia’s. Ik ging naar binnen, pakte een potlood en schreef in een paar minuten, zonder nadenken, de eerste bladzijde van wat later het boek zou worden. In één flits ontwierp ik drie verschillende reacties op dood en leven van drie verschillende karakters.
En zo schreef ik het hele boek, ik fantaseerde, gebruikte ervaringen, eigen jeugdherinneringen en die van anderen, ik liet dingen gebeuren die helemaal niet kúnnen gebeuren- maar ik liet het gebeuren. Ik schreef. Maar was het wel ik, die schreef?
Wat bedoel je?
Het leek net of gaandeweg ‘de jongens’ de pen hadden overgenomen: zij dicteerden het verhaal. Ik was de klerk. Of die regenworm, net wat je maar het aantrekkelijkste idee vindt. Pas toen ik al ver over de helft was, ging ik, als een pasgeboren baby, die voor de eerste keer zijn ogen opendoet en knippert tegen het felle nieuwe licht, ook eens over de structuur nadenken. Maar eigenlijk had die zich al vanzelf opgedrongen.


Was dat anders met de tweede roman, Duvelsprie?
Ja. Het zal je maar overkomen! Dat je in de stamboom van je geliefde, aan de moederskant een achttiende-eeuws waargebeurd verhaal vindt over Anna, een straatarm meisje van 16, dat samen met haar vriend Jean, ongetrouwd, maar mét een kind, in dat Zuid Limburgs dorpje Schinnen terechtkomt en daar bijna vermalen wordt door de grote geschiedenis. En dat jij precies in dat dorpje bent geboren en de luxe en de tijd hebt om dat verhaal uit te diepen om er daarna een historische roman over te schrijven. Daarvoor moest ik eerst historisch onderzoek doen.
Aha! Dus dan ga je materiaal verzamelen, net als je bij de Utrechtse buurtbewoners deed?
Precies! Een heerlijk werkje. Want die geschiedenis was gul en wierp me allerlei cadeautjes toe. Dingen, die ik niet makkelijk zou hebben verzonnen. Zoveel interessante, ja zelfs onwaarschijnlijke gebeurtenissen kwamen aan het licht, dat wellicht daardoor mijn uitgangspunt werd: die feiten wil ik in mijn roman zoveel mogelijk respecteren. En daarmee moest dit verhaal, dit historische verzinsel, toch veel historische waarheid toegankelijk maken. Oprecht, zorgvuldig en precies: met al die mooie intenties ga je dan aan het werk. Ik noteerde en ordende en sloeg mezelf op de vingers, als ik me betrapte op de lust om toch al eerder te beginnen met schrijven. ‘Laat eerst zo veel mogelijk de feiten spreken, Jos, zie je niet wat ze je allemaal vertellen!’.
Je hebt je kunnen beheersen?
Een half jaar lang maar liefst! Toen begon ik te schrijven. Heel anders dan bij De jongens van het Glaspaleis heb ik eerst een stam opgezet, een kale boomstam waaraan ik schrijvend zijtakken, blad en vrucht zou toevoegen. Ik dreef een gang in dat rotsblok van historische feiten, als een hulpmiddel voor mezelf om mijn lezers te laten meelopen met de hoofdfiguur Anna en om de talloze andere figuren in een evenwichtige verhouding tot elkaar te brengen. Ik wist hoe het verhaal zou beginnen en hoe het zou aflopen. Ik was dit keer gehoorzaam aan de toneelschrijver Samuel Beckett, die zei dat je als schrijver om bij nul te kunnen beginnen, eerst honderd moest schrijven. Dus deze roman begint –heel klassiek- bij nul en eindigt bij honderd.
Is er een groot verschil tussen de taal in je romans en de taal in die buurttheaterstukken?
Ik kan natuurlijk goed dialogen schrijven, ook in mijn romans. En het springerige en associatieve van theatertaal gebruik ik ook. Ik kan mijn romanfiguren ook goed aankleden met taal, ik geef ze met taal eigenheid. Die romans spelen allebei in Zuid Limburg. En net als de spelers in Utrecht maken de figuren in de romans ruim gebruik van de volkstaal met zijn typische eigenheid. Hét kenmerk en de charme van de volkstaal is haar concreetheid en haar vijandigheid ten opzichte van alles wat abstract en algemeen is. Volkstaal is in woorden en zinnen gestolde eigenheid.
Het heeft me heel veel geholpen dat ik in mijn jeugd Limburgs sprak. Zo maakte ik contact met het Utrechts stadsdialect, dat veel cynischer is, maar met het Limburgs de blik van onder naar boven deelt. In mijn jeugd heb ik gevoeld wat volkstaal is, hoe eigenzinnig maar soepel ze kan zijn. Hoe anti-die-van-boven ze is en hoe haarscherp ze de grens weet te trekken tussen wij en zij.
Heeft Corona nog invloed?
Nee. Het gaat zoals het altijd ging na mijn pensioen: ik ben eigen baas en deel mijn tijd zelf in. Wat een luxe! Om tien uur begin ik, dat is het creatiefste deel waarin ik alles toelaat wat in me opkomt. Dan van 1 tot 3 pauze, eten, wandelen, fietsen. Na 3 uur: eens kijken en ordenen wat ik ’s morgens bij mekaar heb gefisternuld.
Laatste vraag: waarom schrijf je eigenlijk?
Omdat ik in als kind al een speciaal oog en oor heb ontwikkeld om naar mensen te kijken en te luisteren?
Omdat schrijven het enige is wat ik echt goed kan?
Omdat het zo heerlijk veilig is om een beetje voor God te spelen en mensen dingen te laten doen die ik wil?
Omdat er weinig vergelijkbaar is met het magische moment, waarop alles lukt, alles samenvalt en er dingen gebeuren die ik absoluut niet had verwacht toen ik begon?

dinsdag 5 november 2019

Twee dagen in München.

Nee, deze stad steelt mijn hart niet. En dat heeft niets te maken met het kille herfstweer van deze late oktoberdag. München heeft zijn smerige verleden niet verwerkt, in ieder geval niet zo goed als Berlijn met zijn heldere schuldbewuste opvallend geplaatste monumenten. Topografie des Terrors, het Jüdisches Museum, het Holocaustmonument en de Stolpersteine; niets daarvan in München. 
Een schraal tweeregelig opschrift in het stadhuis uit...1992, 
een vierkante zwarte zuil met daarbovenop het cliché van de eeuwige vlam uit midden tachtiger jaren, tamelijk onopvallend op een lelijk plein dat de 'slachtoffers van het nazisme' moet herdenken. Dat lukt maar niet. Voor het monument verwaait een zwart lint met goudkleurig cyrillisch opschrift in de wind. Russisch? Je verwacht elk moment een laars die erop wordt geplaatst die het woedend met zijn hak in stukken scheurt.
De helft van München schaamde zich in 1945, de andere helft baalde van de nederlaag en wilde niets weten van welke verwerking dan ook. Der Krieg was verloren, 6600 mensen dood omdat door de bombardementen veel rivieren en beken buiten hun oevers traden en de mensen in de schuilkelders verdronken. Ze hadden nog het geluk dat de aanvoerlijnen voor de vliegtuigen vanuit Londen voor de geallieerden te lang waren voor bombardementen als op Berlijn. Pas toen die Florence veroverd hadden, konden ze München en de hele oorlogsindustrie daar onder handen nemen.

De gids lijkt op mijn zus en ze vertelt in 2 1/2 uur een veel te uitgebreid verhaal voor het groepje rondgeleiden, maar niet voor Chris en mij die inmiddels al zoveel over dit onderwerp weten.
Unbelehrbar München leefde daarna gewoon verder en verwerkte weinig. De CSU werd opgericht en annexeerde geruisloos de bezitters van het extreem rechtse gedachtegoed dat daarmee onschadelijk werd gemaakt.
Dachten ze.

De gids komt uit Ludwigshaven en draagt haar woede over de gemankeerde Münchense Vergangenheitsbewältigung zonder schroom over aan ons. Ze gaat bijna huilen als ze vertelt over het oprukkende rechts extremisme in vooral Oost Duitsland.
Alsof ze zich wil excuseren.

Intussen bekijken we de gebouwen waar het zich allemaal afspeelde: het Hofbräuhaus waar Hitler zijn eerste succes behaalde voor duizenden. Het werd platgebombardeerd, alleen de muren kunnen het originele verhaal nog vertellen. Het gebouw drukt me tegen de grond. Het is laag, bruin, stenig en somber en ik hoor de laarzen op de trappen stampen. 
De Odeonplatz waar onze held de mooiste dag van zijn leven beleefde toen daar de Eerste Wereldoorlog werd uitgeroepen - de Königsplatz met de parades van tienduizenden en hoe zou ik me gevoeld hebben als 19 jarige als ik daar ook had moeten of mogen staan? Ik stel me voor hoe de magie van het geregisseerde strakke zuivere massale me uit mezelf zou hebben getild- of zou ik dapper zijn geweest?
Intussen wordt het maar kouder en kouder, we vluchten eethuisjes en cafés binnen om warm te worden, hebben lange diepe gesprekken en betalen ons blauw aan de peperdure prijzen vragende Münchense middenstand, ooit de misselijkmakende steunpilaar van Hitlers regime.

München speelt verstoppertje, maar dat lukt niet helemaal. Er staat nog teveel aan schuldige nazigebouwen. Gidsen geven rondleidingen over het naziverleden, je kan naar Dachau gaan met een groep, maar het is allemaal wat plichtmatig. Je krijgt de indruk dat ze liever eindelijk eens zonder dat gedoe over die oorlog zouden doorgaan.

De volgende dag proberen we fysiek zo dicht mogelijk bij Hitler te komen. Hitler hield van München. In 1913 verhuisde hij van het door hem gehate Wenen naar zijn 'gemütlich' lievelingsoord. En ook na de Eerste Wereldoorlog ging hij er weer wonen.

Bijvoorbeeld in de Thierstraße. 
Daar is nu een winkel met Tsjechische literatuur, die gedreven wordt door een aardige Joodse meneer. Die vertelt dat hij voor zijn winkel de meest uiteenlopende figuren ziet staan. Bijvoorbeeld oude nazi's (steeds minder natuurlijk) die - heel merkwaardig- buiten de lucht opsnuiven en dan extatisch tegen elkaar zeggen: 'Riechst du das? Riechst du das?. Dichterbij de Führer kun je blijkbaar niet komen. 
Maar er staan nu ook "jonge neo-nazi's, die überhaupt niets weten.En ik heb hier ook wel eens  Israëli's die dan met Israël-vlaggen staan te zwaaien en roepen: 'Wij hebben ze toch maar mooi overwonnen." 
Hier 'onderverhuurde' in 1920 een Joodse huurder een kleine kamer aan Hitler. Ze konden het goed met elkaar vinden. Zoals Hitler het wel vaker op een individueel goed met Joden kon vinden.
Bereidwillig opent de boekhandelaar de deur.

We komen in een gang (in werkelijkheid donkerder dan op deze foto), die helemaal leeg is en leidt naar de trap die de 30-jarige Hitler beklom naar de eerste etage, waar hij een kamertje had, dat uitkijkt op een binnenplaats. Niets veranderd sinds die tijd,zo te zien. Alles is een beetje unheimisch- of vullen wij, 'wetenden van nu' dat in? 


We eten in restaurants waar de Führer ook vaak kwam, meestal plekken met burgerlijke aanzien. Dat geldt minder voor de Osteria Italiana, die destijds Osteria Bavaria heette. Ook deze plek lijkt niets veranderd sinds die tijd. Het ziet er knus en gezellig, maar ook wat donker uit. Chris vertelt me dat Hitler in dit Italiaans restaurant samen met Goebbels de Kristalnacht heeft bedacht.


Het is allemaal zo griezelig om met deze kennis, dit weten van nu zo'n plek te betreden. Niets, maar dan ook niets verwijst naar dat verleden, naar het kwaad dat zo tastbaar en dichtbij en alledaags hier aan een simpel tafeltje duivelse plannen beraamde. Italiaans sprekende obers bedienen vlot en vriendelijk de klanten die hier ganz normal een maaltijd gebruiken.

We gaan op zoek naar de Sterneckbräu,een lokaal waar hij in 1919 voor de overheid moest spioneren bij de extreem-rechtse Deutsche Arbeiter Partei. Maar Hitler kon zich niet inhouden en bemoeide zich met de discussie. Op een heel overtuigende manier: dit was de plek waar hij ontdekte: Ich kann sprechen. Chris vertelt dat deze plek in de nazitijd een bedevaartsoord was. Niets meer van te zien: het is nu cosmetica-instituut 'C'est la vie', waar mensen hun nagels kunnen laten vijlen of  hun snor bijknippen. 
Nee. Aan symboliek geen gebrek.
Zo kleurt het bruine verleden deze dagen in. Een vertekend beeld, natuurlijk, ik weet het. Immers: het was juist München dat nog niet zo lang geleden de vluchtelingen op het station warm onthaalde en welkom heette- een golf van goedwillendheid waarop Merkels 'Wir schaffen das' heeft gedreven. 
En ja, de mensen van München zijn freundliche Leute zo op het eerste gezicht. Als je de weg vraagt. Of een klein gesprekje voert. München heeft zeker een tweede gezicht. Een menselijk gezicht.
En dat menselijke mag nooit verloren gaan.' Dat vonden ze destijds ook in deSchellingsalon

Daar kwam tout artistiek en politiek München: Lenin, Feuchtwanger, Brecht zong er zijn gekke liedjes. Maar Hitlers SA kwam er ook, altijd bezopen en uit op stennis zongen ze daar hun smerige liedjes: 'Wenns Judenblut vom Messer spritzt, dann geht's nochmal so gut'.  Maar de waard was het zat en gooide ze eruit.
Uit dankbaarheid voor die heldendaad draag ik Chris 'Jacob Apfelböck oder die Lilie auf dem Felde' voor.

Im mildem Lichte Jacob Apfelböck
Erschlug den Vater und die Mutter sein
Und schloß sie beide in den Wäscheschrank
Und blieb im Hause übrig, er allein.

Zo begint dit gedicht van Brecht, ook zo'n merkwaardig Münchense figuur, vol geweldfantasieën.  
Maar daarover een andere keer.

zaterdag 19 oktober 2019



Enkele gedachten over jonge activistische separatisten in Barcelona.


Wat zijn ze jong, de jongens en meisjes die in Barcelona demonstreren voor de onafhankelijkheid van Catalonië!
Het viel ons weer op toen we afgelopen maandagavond, op weg naar onze jarige kleindochter in Vilassar, midden in de -toen nog uiterst vreedzame- demonstratie op het vliegveld terechtkwamen. (Je moet dwars door Barcelona om Vilassar te kunnen bereiken).
We begrepen hun woede over de stompzinnig hoge vonnissen en dat de Catalanen in de burgeroorlog onnoemelijk veel leed is aangedaan en dat 'Madrid' niet grossiert in verstandige politieke besluiten betreffende dit onderwerp (hoewel Catalonië in de praktijk nu al veel meer voorrechten heeft dan je zou denken), maar... wat verwachten die jongeren nou eigenlijk? Dat na de afscheiding het geluk uit de hemel neerdaalt? Wat speelt er in hun koppies?
Natuurlijk, de bankencrisis van 2007 heeft in Spanje veel harder toegeslagen dan bij ons- en de gevolgen zijn voor de jongeren daar nog steeds voelbaar. Die woede is terecht.
Maar het zou ook best wel eens te maken kunnen hebben met iets waarover ik in de berichtgeving zelden iets lees. Namelijk: dat dit een gevolg kan zijn van hoe het onderwijs in Catalonië is georganiseerd.
Van de laagste klas in het basisonderwijs (een kind gaat al met 3 jaar naar school in Spanje) tot en met het universitair onderwijs wordt er les gegeven uitsluitend in het Catalaans.
Dat vind ik vreemd.
Catalanen zijn ondernemend, ze hebben nooit met de rug naar de wereld gestaan en dat heeft ze de nodige voorspoed gebracht. Nu onze kleindochter naar school gaat, (ze zit gelukkig op een vrije en leuke school), valt op dat zelfs daar het Catalaanse nationalisme ook de inhoud van de lessen kleurt. Het gaat veel over Catalaanse helden ('Jordi hier, Jordi daar, Jordi is uw hulp in huis') en het is natuurlijk heel goed dat er in de klas bijvoorbeeld aandacht wordt besteed aan 'sterke vrouwen', maar dan gaat het alleen over de sterke vrouwen van Catalonië. En soms wordt de historische waarheid ronduit verdraaid.
Dat is dubieus.
Zulks is al een flink aantal jaren aan de gang. En dan zitten de hersens van die twintig- en dertigjarigen toch aardig vol met vertekende informatie en wat 'Madrid' en de 'fascisten' daar hen allemaal aandoen- en dan stroomt het makkelijk over.
Overigens: toen we in het overvolle treintje van het vliegveld naar het centrum van Barcelona reden, werd ons minstens drie keer door 'separatistische activisten' vriendelijk een zitplaats aangeboden.
Dat wijst op twee dingen:
1. wij worden nu ook zichtbaar oud.
2. Er is altijd hoop als het om jonge mensen gaat. (Om oude ook trouwens).